VWG_kop.jpg

Uilen

UILENWERKGROEP

Kerkuil

 

Het jaar 2013 begon, evenals het jaar ervoor, met een stevige winter met een lange sneeuw- en vorst periode. Met name langdurige sneeuw is funest voor de kerkuilen, omdat ze de veldmuizen dan moeilijk kunnen bemachtigen. Daarna hield de kou in het voorjaar van 2013 nog lang aan. De verwachtingen voor het broedseizoen waren dan ook niet hooggespannen. De zware winters van de afgelopen jaren eisen hun tol. Het uiteindelijke resultaat was slechts3 broedparen met in totaal 9 jongen.

 

De kerkuil is al vele jaren onder de aandacht van de vogelwerkgroep Gemert. In de loop van de jaren zijn er ruim 71 nestkasten opgehangen, veelal in schuren en boerderijen in het buitengebied van Gemert. Het aantal broedparen varieert afhankelijk van de muizenpopulatie in een bepaald jaar. Over het algemeen worden van jaar op jaar dezelfde nestkasten bewoond.

 

De vogelwerkgroep laat de kasten ook altijd met rust, totdat zeker is dat er jongen in zitten. De kans op verstoring is dan minimaal. Als de jonge uilen worden geringd is de trotse familie altijd van de partij en worden soms vrienden en bekenden bij de gelegenheid gevraagd.

 

Naast het ringen worden ook enkele biometrische gegevens opgenomen van de jongen zoals vleugellengte, snavellengte en gewicht. Aan de hand van die gegevens is vervolgens ook de leeftijd vrij nauwkeurig te bepalen. De leeftijd tussen de jongen verschilt circa 2 á 3 dagen. Het leeftijdsverschil tussen de oudste en jongste uil kan dan bij een nestgrootte van 4 jongen al gauw oplopen tot een dag of tien.
Soms lukt het om een volwassen uil te bemachtigen. Door vooraf de toegang van de kast voorzichtig af te sluiten wordt voorkomen dat de jonge uilen met het ringen uit de kast vliegen, maar soms zit dan ook de oudervogel er bij. Die wordt dan gecontroleerd op de ring. Bij het ontbreken daarvan wordt ook de oudervogel geringd.

 

Hoewel de nestplaatsen vaak dezelfde zijn, blijkt dat de oudervogels nogal eens wisselen. Vermoedelijk is de gemiddelde leeftijd van een kerkuil niet al te hoog, voornamelijk als gevolg van verongelukken in het verkeer. De overblijvende uil zoekt dan een nieuwe partner en bewoont het jaar daarop weer dezelfde nestkast.                                                                                                              

 

Helaas is niet alle uilen een lang leven beschoren. Na het uitvliegen moeten ze ergens een eigen plekje zien te veroveren. Sommige zwerven dan ver weg van hun geboorteplaats, maar over het algemeen zijn de afstanden beperkt tot enkele tientallen kilometers. Door de uilen te ringen kan dat worden nagegaan, als de uil later ooit wordt gevonden. Met enige regelmaat krijgen we als Vogelwerkgroep een melding, dat er ergens een uil is gevonden.                                                                           

 

Als die geringd is, melden we de gegevens bij het Vogeltrekstation te Arnhem. Daar worden alle ringgegevens geregistreerd. Uilen die in ons werkgebied worden gevonden blijken regelmatig eerder door ons geringde uilen te zijn. Vindt u een geringde uil, neem dan contact op met een van de mensen uit de uilenwerkgroep. Ook het melden van ongeringde dode uilen is van belang om zicht te krijgen op wat er met de uilenpopulatie gebeurt. Vindt u een dode uil, meldt dat dan via onderstaande procedure.

 

Meld dode uilen!

Vindt u een dode uil, meldt dit dan   altijd even opwaarneming.nl. Op die manier   kunnen er jaarlijks statistieken gevolgd worden over het aantal   verkeersslachtoffers, de kwetsbare locaties en eventuele opvallende pieken -   misschien is er dan meer aan de hand? In 2013 was het aantal gemelde   verkeersslachtoffers bij de kerkuil en de steenuil niet eerder zo hoog.

        Daarnaast kunt u verse dode uilen   (maar ook andere wilde dieren) melden bij het Dutch Wildlife Health Centre.   Deze organisatie houdt zich bezig met  onderzoek naar ziekte- en   doodsoorzaken van in het wild levende dieren, en met name naar mogelijke   ziekte uitbraken. Dat kan door te bellen naar 030-2537925 of mailen op   Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. . In overleg bepaalt het DWHC of het dier in aanmerking komt voor   onderzoek naar de doodsoorzaak. Op www.dwhc.nl kunt u verder over hun werk lezen.

 

 

De broedresultaten van de kerkuil over de afgelopen jaren in het werkgebied van de vogelwerkgroep Gemert staan weergegeven in onderstaande tabel.

 

Resultaten kerkuilen

 

     Jaar

Eieren

Jongen

Dode jongen

Uitgevlogen

Geringd

Broedsels

2013

12

9

3

9

0

3

2012

28

24

0

24

24

7

2011

33

17

3

14

10

6

2010

31

31

2

29

29

7

2009

10

7

1

6

6

3

2008

31

31

1

30

30

9

2007

63

53

4

49

52

14

 

 

 

 

 

 

 

Meerjarenoverzicht aantal jonge kerkuilen

 

 

 

2001

02

03

04

05

06

07

08

09

10

2011

2012

2013

31

6

15

14

35

15

49

30

6

29

14

24

9

 

Steenuil

 

Met de steenuil gaat het goed in ons werkgebied. Sinds de Vogelwerkgroep begonnen is met het plaatsen van nestkasten was sprake van een stijgende aantallen broedsels en jonge uilen. In 2013 is die stijgende lijn echter doorbroken. Voor het eerst in 8 jaar waren er minder dan het jaar ervoor. Maar over het resultaat van 18 broedsels met in totaal 57 uitgevlogen jongen mogen we nog altijd heel tevreden zijn.

 

De daling van het aantal broedsel kan wellicht gezocht worden in dezelfde oorzaak als bij de kerkuilen: de strenge winter met een lange sneeuwperiode en een lang aanhoudend koud voorjaar waardoor de beschikbaarheid van voedsel een probleem is geworden.

 

De aantallen steenuilen in ons werkgebied steken gunstig af tegen de landelijk achteruitgang van de soort. Omdat het landelijk gezien slecht gaat met de steenuil en is er, in navolging van het beschermingsplan van de kerkuil van jaren geleden, een landelijk beschermingsplan voor de steenuil opgezet. Daarna is de vogelwerkgroep aan de slag gegaan met het inventariseren van steenuilen. In februari-maart zijn deze het beste te inventariseren, omdat ze zich dan actief laten horen. De steenuil kent twee soorten van geluiden. Ten eerste is er de kenmerkende alarmroep. Het is het bekende keffende geluid, dat zowel door het mannetje als het vrouwtje wordt voortgebracht. Daarnaast produceert het mannetje ook nog de zogenaamde territoriumroep, die hij gebruikt zodra er een indringer in zijn territorium komt. Hij laat deze roep alleen maar horen als hij een vrouwtje heeft. Een territoriumroep is dus een teken dat er een broedpaartje zit.

 

Inmiddels zijn de territoria bekend en breiden we rondom bestaande populaties de nestkasten geleidelijk uit. En dat werkt, zo laten de resultaten zien. Het aantal territoria is inmiddels meer dan verdubbeld. Er zijn tot op heden 54 nestkasten geplaatst.

 

Door Brabants Landschap, die de coördinatie van het beschermingsplan van de Steenuil in Noord-Brabant heeft, zijn nestkasten beschikbaar gesteld.

 

Omdat de Steenuil meer storingsgevoelig is dan de kerkuil en de jongen minder lang in de nestkast blijven, is het veel lastiger om zicht te krijgen op het broedresultaat. De vogelwerkgroep heeft besloten om de kasten niet tijdens het broedseizoen te controleren en de jongen niet te laten ringen.

 

Resultaten steenuil

 

Jaar

Eieren

Jongen

Dode jongen

Uitgevlogen

Geringd

Broedsels

2013

60

57

0

57

0

18

2012

98

87

2

85

0

24

2011

71

65

0

65

0

18

2010

50

44

0

44

0

13

2009

40

37

1

36

0

12

2008

31

26

0

26

0

8

2007

?

31

?

31

0

11

 

Meerjarenoverzicht aantal jonge steenuilen

 

 

 

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

15

31

26

36

44

65

85

57

 

 

 

Kerkuilw